door Michelle
•
18 september 2026
Vroeger dacht ik dat ik goed presteerde onder druk. Ik ging in hyperfocus en stopte niet tot ‘het’ klaar was. Alleen was het nooit klaar. In het onderwijs ben je nooit 'klaar'. Doorgaan tot het niet meer gaat Met de komst van mijn kinderen, stopte ik met het 's avonds werken. Echt gas terug nam ik niet, ik dreef mijn werktempo tijdens en na schooltijd op. Regelmatig verliet ik de school als een van de laatsten. Daarnaast verplichtte ik mezelf ook tot deelname aan (of organisatie van) activiteiten op de scholen en verenigingen van de kinderen. De lichaamssignalen die ik ervaarde, zoals buik- en hoofdpijn, stopte ik weg. Of ik nam een paracetamol om toch door te kunnen gaan. Misschien deed ik iets rustiger aan op mijn vrije dagen, maar verder was ik 'oké'. Tot het niet meer ging. En ik leerde dat het anders kan. En mezelf toestond dat het anders mág. De kracht om te stoppen Blijkbaar hoort daar ook een pittige dosis daadkracht bij. Daadkracht om mijn eigen grenzen te bewaken, voor mezelf. Maar zodra ik mijn eigen grenzen moet bewaken tegenover anderen, zorgt een oud patroon in mij voor innerlijke strijd. Aanpassen tot ik mezelf kwijt was Als kind heb ik me geleerd aan te passen. Te voegen, te bukken, te stretchen. Mijn vriendin Julia noemt die aanpassing 'Barbapappa' en die vind ik zo kloppend. Zolang ik mij maar aanpaste, de versie van mij werd die een ander nodig had (of waarvan ik dacht dat ik alleen op die manier lief gevonden werd), dan werd het leven iets makkelijker. Dus ik trok me terug, werd stil... Makkelijk. Als ik me wel uitsprak, bijvoorbeeld in mijn puberteit, was snel duidelijk dat dit niet gewenst was. Het was te veel. En ik ervaarde: 'ik ben te veel'. Na jaren pellen aan die ui, heb ik schil voor schil mijn maskers onderzocht, geëerd, compassie gebracht en bedankt. In het midden vind ik mijzelf. Ik heb mij herontdekt. ‘Ik’ zit steeds vaker aan het stuur, niet mijn overleef- of beschermdelen. Al zal ik bij spannende gebeurtenissen zeker nog in een gekwetst deel schieten. Ga maar staan Want echt voor mezelf staan, en die daadkracht toestaan die daarbij nodig is, dat vraagt moed. Dat vraagt kracht. Voor mezelf staan, niet vanuit boosheid, maar vanuit geaardheid. Stevig, stabiel, terwijl ik geloof in mezelf. Rechtop, duidelijk, en terwijl ik dit in mijn dagboek schrijf komt er een mooie, rode libelle naast mij zitten... De libelle die mij laat weten dat ik aan het transformeren ben. Mezelf mag uitspreken, vanuit de verbinding met mezelf en mijn hulpbronnen. Ga maar staan. Voor mezelf, voor dat waar ik in geloof. Als ik in mezelf geloof, is het niet belangrijk wat anderen daarvan vinden. En toch merk ik dat het voor delen in mij nog steeds belangrijk is wat anderen van mij vinden. Wat als... Mijn volwassen deel kan gevolgen dragen. Mijn kleine deel kan een enorme angst voor afwijzing hebben. En die angst is groot. De angst maakt dat ik verdwijn in mijn onveilige holletje, waar ik zelf inmiddels veiligheid in kan aanbrengen. De angst is zo groot, waardoor ik voel hoe mijn vierjarige zelf zich heeft gevoeld. Zo eenzaam, zo onveilig. Soms raak ik vermengd met de angst. Mijn reptielenbrein gaat aan. De gevolgen voelen torenhoog, ik voel me zo afgewezen en niet gezien. Maar inmiddels weet ik uit te stappen. Naar buiten, de natuur in. Van waaruit ik uit kan reiken. Naar mijn man en later een ander luisterend oor. Die mij kan vertellen dat er nog verbinding is, waardoor ik terug kan naar mijn midden. En kan blijven, ook als (het) nog niet helemaal kloppend voor mij.